Artikel in Volkskrant van 11 april 2007
Hier
zegt iedereen hallo
Door Toine Heijmans
Er zijn beslissingen die je
nooit vergeet. Het is winter. De hemel is koelblauw. Ik heb een vriendin en een
dochter; mijn dochter kan net lopen en waggelt door de straat die nog geen bomen
heeft. We zijn met de auto uit de stad naar de vinex gekomen en treffen de
zandbak op een mooi moment, met die hemel erboven en de koude januariwind als
een jas om ons heen. Er staan huizen te koop. Een hele rij, fier omhooggekomen
uit de bouwput. Ze zijn drie keer zo groot als het huis waarin wij wonen (een
bij-etage in de stad). Ze hebben tuinen en gevels van glas, en anders dan bij
ons zegt iedereen in deze straat hallo. We kopen het huis, al zijn we er nooit
binnengeweest. Het maakt van ons in één klap een vinexgezin. Dat was nooit de
bedoeling geweest. Vinex was ook voor mij een scheldwoord; het was alles wat je
niet wilde zijn. Vinexwijken werden gebouwd voor de middelmaat, dacht ik, voor
doorsneevolk. Het leven daar was de tegenpool van het avontuur dat ik nog altijd
zocht. Zes uur aan tafel. Rust en regelmaat. Ik had ze wel gezien hoor, de
rijtjes in Ypenburg en Leidsche Rijn. De eenvormigheid was me opgevallen, de
roerloosheid, het uitgebreide wagenpark in de uitgekiende parkeervakken en soms,
zoals in Rosmalen en in Beverwijk, de kunstmatige poging er ondanks alles iets
leuks van te willen maken. Betonnen dozen met een grachtengevel. Een nep-Marker
huis met een nephouten dak. Het bleef plastic.
Mijn beeld was dat van de
films en van de boeken, van De Noorderlingen (Alexvan Warmerdam) en van Nieuwe
Buren (Saskia Nooit). Het was de ambtenareske planmatigheid alleen al die
schuilging achter het woord Vinex: de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra,
die voorschreef dat er honderdduizenden huizen bij moesten komen.
Nieuwbouwvlekken naast de steden, die de groeiende bevolking als sponzen op
moesten zuigen - saaaaai!, gaapte hip architectenvolk. 'Getto's van de 21ste
eeuw', schreven de critici. Mijn eigen IJburg zou, voorspelde een redacteur van
NRCHandelsblad, eindigen als 'een bar oord', dat 'vooral de kille, koude stad in
Bordewijks novelle Blokken in herinnering roept'. En dan was er nog het bureau
Bouwkennis, dat voorspelde dat de nieuwe wijken niet langer dan twintig jaar te
leven hadden omdat de huizen er slecht zijn gebouwd. Zelfs de vorige
vinexminister (Dekker) had het er wel zo'n beetje mee gehad. Nieuwbouw- dat was
iets van mijn ouders, bovendien. Geen sprake van dat je ooit zult worden zoals
hen. Maar nu woon ik er zelf. Er middenin.
Ja, we zijn een vinexgezin
geworden, met drie kinderen, twee banen, twee auto's, een bakfiets, een
supertophypotheek, een tuin met een zandbak, een Buurman en een Buurvrouw met
wie ik over het tuinhek heen de parkeerproblemen van onze buurt bespreek. En ja:
het is hier best gezellig. Wonen in de vinex is geen straf. Het is wennen aan de
heimachinés, de gronddumpers en de drilboren, maar het leven is er tenminste
nog niet af, zoals in de stad, waar alles vooral hetzelfde blijft of
minder,wordt. Mijn uitzicht is elke dag weer anders, wat het avontuurlijk wonen
maakt. Mijn huis is groot, net als de overwaarde ervan; mijn wijk wordt bevolkt
door aardige mensen met durf en pioniersgevoel, mijn kinderen groeien op in
weelde, te midden van meer vriendjes en vriendinnetjes dan ze zich hadden kunnen
wensen. Het is hier pure luxe.
Ik ben trouwens niet de enige
die er zo over denkt. Tien jaar bestaat de vinex nu, en langzaam beginnen de
vooroordelen te verbleken. Het begon vorig jaar met een 'morfologische
verkenning' van het Ruimtelijk Planbureau (met de enthousiaste naam Vinex!), die
de mythe over de eenvormigheid van de wijken doorprikte: saai was het er in elk
geval niet, stelden de onderzoekers vast. Sommige wijken hebben zelfs zo'n eigen
gezicht gekregen dat ze in staat zijn eigen dorpen of steden te worden. De
onderzoekers hadden vast The New York Times gelezen, die in januari 2004, de
maand dat ik mijn huis kocht, schreef: 'Leave it to the Dutch to make suburbia
cool.' De verslaggever was naar Ypenburg getrokken en enthousiast teruggekeerd:
zoveel architectonische tlairhad hij niet verwacht in wat een doordeweekse
slaapstad zou moeten zijn. Blader ook eens door het aardige fotoboekje Via
Vinex, dat vorig jaar verscheen, en je ziet wat hij bedoelt. Tel de dit jaar
verschenen ministeriële evaluatie van tien jaar vinex erhii (te weinig groen,
maar de bewoners zijn tevreden) en het beeld begint al aardig te kantelen.
Weekblad Elsevier bracht er kortgeleden een coverstory over, waarin de
nieuwbouwwijken als moderne blanke paradijzen worden afgeschilderd: 'Veiligheid,
ruimte, comfort, beschaving, rust.' Voila.
Nu goed: een blank paradijs
is het niet - daarvoor heeft mijn wijk te veel gebreken. Te weinig speeltuinen,
te weinig groen, te weinig scholen, te veel steen. Gemeenten lijken meer oog te
hebben voor de economische, planmatige en architectonische aspecten van de
vinexwijken dan voor de mensen die er komen wonen. Maar het is wel een plek, heb
ik gemerkt, waar de buurt er nog toe doet en een onverwacht dorpsgevoel
ontstaat.
Vinexwijken werden bedacht
voor moderne stedelingen die aan hun buren geen behoefte zouden hebben. Ze leven
efficiënt en op zichzelf en hun auto is de navelstreng naar buiten - waar ook
de winkels zijn en het vertier. Klopt niet. Mijn wijk is meer dan een toevallige
plek om te wonen, meer dan een vluchtplaats voor jonge gezinnen die ruimte nodig
hebben. Er is leven hier. Ook de vinex kan geborgen zijn, vertrouwd, warm, mooi
en dichtbij - al is dat moeilijk te geloven en geeft de strakke architectuur er
geen aanleiding toe.
In mijn oude straat, een
mooie, voltooide jarentwintigstraat in Amsterdam-Zuid, kende ik vier mensen. Ik
woonde er acht jaar. In mijn nieuwe straat ken ik er veel meer. Mijn buren zijn
me lief. Van mijn huis naar het nagelnieuwe winkelcentrum is het tien minuten
lopen, maar onderweg kom ik zo veel wijkbewoners tegen dat het een sociale
expeditie wordt van een uur, of meer.
Misschien komt het doordat ik
bij de eerste duizend bewoners hoor en me daardoor meer verbonden voel met mijn
wijk. Maar ik vermoed ook dat het in de grond zit. Dat het een vinexvirus is dat
de buurtbewoners verbindt met hun wijk - niet alleen omdat ze allemaal nieuw
zijn, maar ook omdat er nog wat van te maken vak hier. Omdat het nog lang niet
af is, en er ruimte voor dromen overblijft.
Pioniersgevoel is
vergankelijk, dat wel. Nu al zie ik de scheuren in mijn wijk, tussen de dure
koop en goedkope huur. Ik zie ook
wel dat een van de scholen een zwarte is geworden, en dat andere wit zijn
gebleven. Ik zie de graffiti en het vandalisme, ik voel de oprukkende
onpersoonlijkheid. Mijn wijk wordt een gewone grote stad uiteindelijk, met
veertigduizend mensen, maar ergens, hoop ik, zal het pioniersgevoel zich
verankeren in het zand. Mijn wijk is in elk geval populair geworden. De huizen
zijn er niet aan te slepen. Eén keer heb ik mensen in slaapzakken gezien bij de
makelaar, 's ochtends om halfzeven, en als de bouw van een nieuw blok wordt
aangekondigd, is het ongenadig druk in de woonwinkels waar nieuwelingen zich in
kunnen schrijven voor de verkooploterij.
Zelf had ik me een paar weken
geleden voor blok 44 aangemeld, een paar honderd meter bij mijn huis vandaan.
Bij het ophalen van de verkoopfolder barstte de woonwinkel uit elkaar van de
nieuwbouwstellen met kinderwagens. 'Doe type E ook maar', hoorde ik een zwangere
vrouw haar vriend vertellen. 'Het is te klein en zonder tuin, maar dan hebben we
in elk geval iets.' Ik werd zowaar ingeloot voor een huis aan het water, niet
eens groter dan het mijne, 480.000 euro zonder bouwrente of extra's, en moest
dezelfde week nog opdraven voor een gesprek met de makelaar. Voor wie niet kon
komen, was het jammer - die kwam onder aan de lijst met 179 inschrijvers voor
een handvol huizen. We moeten klantonvriendelijk zijn van de
projectontwikkelaar, zei de makelaar, want de bouwers willen snel geld zien. Het
is een verkopersmarkt geworden, wat in elk geval ook iets goeds zegt over de
vinex. Want waarom zouden zo veel mensen zo veel geld willen betalen om hier te
wonen als hel hier verschrikkelijk was?
Je zou mijn wijk zelfs hip
kunnen noemen, nu. Er gaat geen week voorbij of de touringcars rijden over de
brug met aan boord toeristen uit Spanje, België of Japan. Mijn huis, mijn
bakfiets en mijn kinderen staan veelvuldig op hun foto's. De vinex begint te
glimmen. En dat is, wat mij betreft, niet onterecht. Hier naast me heb ik
tenminste een echte Buurman. Die had ik nog nooit gehad. We kenden elkaar niet,
maar vanaf het moment dat ik hem voor het eerst zag, op een ladder, een muur
schilderend in zijn nieuwe huis, is hij mijn Buurman. Het is een sterke Buurman,
altijd in de weer stellages bouwt in de achtertuin voor de kinderen, of een
grote opbergkast. We vissen samen in de sloot achter ons huis, en 's zomers
zetten we twee tenten op de bouwgrond en kamperen er met onze dochters. Het zijn
geen grote dingen. Het zijn kleine dingen die de wereld prettig maken. Het zijn
kleine dingen die een vinexwijk laten bloeien, ook al blijven ze onzichtbaar
voor de schamperende buitenwereld.
Toine Heijmans: La vie
vinex - over leven in een nieuwbouwwijk
uitgeverij Veen, €16,90
ISBN 9789020406351